Les 8 In al die zinnen had ik samen drieëndertig fouten.

In aal dij zinnen haar k mit nkander drijendatteg fouten.

 

De bakkerij gaat al om twee uur dicht.

De bakkerij gaait al om twij uur dicht.

 

Ik ben niet nieuwsgierig, maar lust je wel karnemelk?

k Bin nait nijsgiereg, mor lust (doe) wel zoepen?

 

Bij die feestelijke gelegenheid kunnen wij onmogelijk aanwezig zijn.

Bie dij feestelke gelegenhaid kinnen wie onmeugelk aanwezeg wezen.

 

De scheidsrechter legde zijn fluit op die  nieuwe sprei.

De scheidsrechter legde zien floit op dij nije sprei.